
Wat de wetenschap weet over veiligheid in het lijf
Lezen in 5 min
Mindfulness is de afgelopen twee decennia een van de meest onderzochte en toegepaste methoden geworden voor stressreductie. Er is serieus wetenschappelijk bewijs voor de effecten ervan op aandacht, emotieregulatie en het verminderen van burn-outklachten. Dat verdient erkenning, en dit artikel begint daar dan ook mee.
Maar er zijn mensen voor wie mindfulness niet werkt. Niet omdat ze het verkeerd doen, en niet omdat ze er niet voor gemaakt zijn. Soms past de aanpak simpelweg niet bij wat iemand op dat moment nodig heeft, of bij hoe zijn zenuwstelsel functioneert. En voor die mensen is het nuttig te begrijpen wat het alternatief is, en waarom dat alternatief anders is, niet lichter of zwaarder, maar van een andere orde.

Mindfulness in de meest gebruikte vorm, gebaseerd op het MBSR-programma van Jon Kabat-Zinn, traint het vermogen om aandacht te richten op het huidige moment zonder te oordelen. Je observeert gedachten, gevoelens en lichamelijke sensaties als voorbijgaande verschijnselen.
Je leert afstand nemen van automatische reacties door ze eerst op te merken.
Het helpt de afstand te creëren tussen stimulus en respons die mensen met chronische stress vaak hebben verloren. De praktijk is doorgaans formeel: je zit stil, ogen gesloten of neergeslagen, en richt je aandacht op adem of lichaamsgewaarwording.
De onderliggende beweging is observationeel: je kijkt naar wat er is, zonder er meteen iets mee te doen.
Voor een deel van de mensen werkt die observationele benadering niet goed, en dat heeft een fysiologische verklaring.
Wie een chronisch actief zenuwstelsel heeft, een systeem dat al lang in lage paraatheid staat, ervaart stilzitten soms als activerend in plaats van kalmerend. Het lichaam dat gewend is aan beweging en alertheid, vindt in stilte geen rust maar onrust. Gedachten versnellen.
Bovendien vraagt mindfulness van mensen dat ze van een zekere afstand naar hun ervaring kijken. Voor mensen die al ver van hun lichaam afstaan, die al hebben geleerd signalen te negeren of te observeren zonder te voelen, is meer distantie niet altijd de oplossing.
Soms is het probleem juist dat er al te veel afstand is tussen wat het lichaam doet en wat de persoon ervaart.
Er is ook een praktische drempel: mindfulness vraagt een reguliere, formele beoefening. Een meditatiemoment van twintig minuten per dag. Voor drukke werkenden met weinig autonomie over hun tijd is dat moeilijk vol te houden, en als de oefening wegvalt vervalt ook het effect.
Bodyfulness werkt niet via observatie maar via gewaarwording. Niet afstand, maar aanwezigheid. Niet kijken naar wat er is, maar voelen wat er is.
Waar mindfulness vraagt te observeren dat de schouders gespannen zijn, vraagt Bodyfulness te voelen hoe die spanning aanvoelt, waar hij precies zit, wat hij doet met de ademhaling, of hij verandert als je er even bij blijft. Dat klinkt als een subtiel verschil maar het is fundamenteel: het zwaartepunt ligt niet bij de waarnemer maar bij de gewaarwording zelf.
Bodyfulness is ook van nature ingebed in de werkcontext. De oefening vindt niet plaats op een meditatiematje maar midden in de werkdag: in de minuten voor een vergadering, na een gesprek dat energie kostte, tijdens een moment van stilte aan het bureau. De aanpak vraagt geen aparte tijd of ruimte, maar leert hoe je bestaande momenten anders kunt gebruiken.
En Bodyfulness is actiever. Er is beweging, er is interactie, er zijn lichaamsgerichte ervaringen die het zenuwstelsel direct beïnvloeden. Dat maakt het toegankelijker voor mensen wier zenuwstelsel niet tot rust komt van stilzitten.
Mindfulness werkt goed voor mensen die hun gedachten kunnen observeren zonder daarin te verdrinken, die baat hebben bij een gestructureerde dagelijkse praktijk, en voor wie de afstand die mindfulness creëert een verlichting is in plaats van een verwijdering.
Bodyfulness werkt goed voor mensen die eerder leren via doen dan via observeren, wier zenuwstelsel activerend reageert op stilte, die de verbinding met hun lichaam zijn kwijtgeraakt en die weer willen leren voelen wat er is, en voor wie de werkcontext de logische plek is om te oefenen.
De vraag is niet welke methode beter is. De vraag is welke methode past bij de persoon en de situatie. En soms is het antwoord: beide, op verschillende momenten.
Beide benaderingen vertrekken vanuit dezelfde overtuiging: dat het antwoord op chronische stress niet alleen in het hoofd te vinden is. Dat bewustzijn, aanwezigheid en het vermogen om te merken wat er gaande is, voorwaarden zijn voor verandering.
Voor mensen die zeggen “ik heb mindfulness geprobeerd en het werkt niet voor mij” is dat zelden het einde van het verhaal. Het is vaker het begin van de vraag: wat past dan wél? Dat is een eerlijke vraag, en ze verdient een eerlijk antwoord.