Opent in een nieuw tabblad

De stille kosten van stille uitval

Er is een kostenpost in vrijwel elke organisatie die niet op de begroting staat, niet in het verzuimrapport verschijnt en niet wordt besproken in het MT. Geen frauderisico, geen juridisch probleem, geen incident. Gewoon mensen die iedere dag verschijnen, hun taken doen, aanwezig zijn in vergaderingen, maar al maanden niet meer op hun normale niveau functioneren.

Dat heet stille uitval. En de kosten ervan zijn allesbehalve stil.

Bijdrage van
Antal
Inhoud

Wat stille uitval is, en waarom het niet wordt gezien

Stille uitval is de toestand waarin een medewerker aanwezig is maar structureel onderpresteert door overbelasting. Niet ziek genoeg voor een ziekmelding. Niet zichtbaar genoeg voor alarm. Maar wel degelijk verminderd in concentratie, creativiteit, besluitkracht en betrokkenheid.

Waarom wordt stille uitval niet gezien?

De reden dat het niet wordt gezien, is simpel: het systeem is ingericht op meten wat afwezig is.

Verzuimpercentages, ziekmeldingen, loondoorbetalingen: dat zijn de getallen die tellen. De medewerker die er is, staat als inzetbaar geregistreerd. Wat er achter die aanwezigheid schuilgaat, blijft buiten beeld.

Dat is geen onwil. Het is een meetsysteem dat is ontworpen voor een ander probleem. En zolang het meetsysteem stille uitval niet zichtbaar maakt, maakt de organisatie beslissingen op basis van een incompleet beeld.

De getallen die niet worden uitgerekend

TNO schat dat 10 tot 30 procent van de loonkosten verdampt door verminderde inzetbaarheid en niet-zichtbaar onderpresteren. Ter vergelijking: het officiële ziekteverzuim kost gemiddeld 4 tot 5 procent van de loonsom per jaar. Presenteïsme, de vakterm voor aanwezig maar niet volledig functionerend, kan dat bedrag evenaren of overtreffen.

Stel: een organisatie heeft honderd medewerkers met een gemiddeld jaarsalaris van 50.000 euro. De totale loonsom is 5 miljoen euro. Als 15 procent van de loonsom verloren gaat aan verminderde productiviteit door stille uitval, gaat het om 750.000 euro per jaar. Niet als verzuimkost, niet als ziekmelding, maar als stille lek die nergens op de balans staat.

Dat is het getal dat de meeste HR-managers nooit hebben uitgerekend, omdat er geen automatisch rapport is dat het aanlevert.

Wat stille uitval voorgaat, en wat erna komt

Stille uitval is zelden een stabiele toestand. Het is een fase in een traject.

Onderzoek laat consistent zien dat presenteïsme een sterke voorspeller is van toekomstig langdurig verzuim. De medewerker die nu op 70 procent draait zonder dat iemand het ziet, is statistisch gezien de medewerker die over drie tot zes maanden uitvalt. En een burn-outgerelateerde uitval duurt gemiddeld een half jaar, met re-integratietrajecten die daar bovenop komen.

Een nog duurder probleem

Dat verandert de rekensom. Stille uitval is niet alleen duur als stille uitval. Het is de aanloopfase naar een nog duurder probleem. Wie de stille fase niet signaleert en aanpakt, betaalt later de volledige prijs van de zichtbare uitval. Met rente.

De totale kosten van één burn-out voor een werkgever lopen al snel op: loondoorbetaling gedurende het verzuim, kosten van tijdelijke vervanging of herverdeling van werk, re-integratiekosten en het verlies van opgebouwde kennis en relaties.

Per geval al gauw tienduizenden euro’s.

Vermenigvuldig dat met het aantal medewerkers dat jaarlijks uitvalt na een lange periode van stille uitval, en de omvang van het probleem wordt snel concreet.

Het paradoxale aan stille uitval

Er zit een paradox in hoe organisaties omgaan met stille uitval, voor zover ze er al mee omgaan.

De medewerkers die het langst in stille uitval blijven, zijn vaak de meest loyale en plichtsgetrouwe mensen. Zij melden zich niet snel ziek. Ze leveren in op kwaliteit voor ze inleveren op aanwezigheid. Ze dragen de overbelasting lang zwijgend, omdat ze de organisatie niet in de steek willen laten, omdat ze denken dat het vanzelf overgaat, of omdat ze de signalen van hun eigen lichaam al zo lang negeren dat ze ze niet meer horen.

Dat maakt stille uitval extra perfide: het raakt bij voorkeur de mensen die de organisatie het liefst wil behouden.

Preventie als de goedkoopste interventie

De businesscase voor preventie is in toenemende mate kwantitatief onderbouwd. TNO-onderzoek laat zien dat elke euro geïnvesteerd in preventieve interventies gericht op duurzame inzetbaarheid gemiddeld 3,27 euro oplevert. Dat rendement komt van minder verzuim, kortere uitvalduur, hogere productiviteit en lager verloop.

Investeren in herstel of in preventie?

Maar die berekening geldt alleen als de interventie vroeg genoeg komt. Wie wacht tot de ziekmelding, investeert in herstel. Wie investeert voor de ziekmelding, investeert in preventie.

Het verschil in kosten en effectiviteit tussen die twee momenten is aanzienlijk.

Preventief investeren in het herstelvermogen, de stressregulatie en de lichaamsgerichte zelfkennis van medewerkers is daarmee geen zachte arbeidsvoorwaarde. Het is een financiële keuze met een meetbaar rendement, voor organisaties die bereid zijn de rekening van stille uitval serieus te nemen.

De eerste stap: zichtbaar maken wat stil is

Stille uitval aanpakken begint niet met een programma. Het begint met het stellen van de vraag die de meeste organisaties niet stellen: wat kost het ons dat een deel van onze mensen aanwezig is maar niet volledig functioneert?

Als dat getal op tafel ligt, verandert het gesprek over investeren in preventie van karakter.

Het is niet langer een gesprek over welzijn als nice-to-have. Het is een gesprek over rendement, risicobeheer en de kosten van niets doen.

En die kosten, zo blijkt keer op keer, zijn hoger dan de kosten van ingrijpen.